
San Salvador, Parijs, de sacrale Chief Mountain en het Vaticaan. In de debuutbundel Rauwe fisken op wynfear wolkens van Simon Oosting (1959) figureren wereldberoemde landschappen, samen met Friese weilanden en de Waddenzee, in gedichten over verlangen en vergankelijkheid. Eén van die gedichten is het in 2004 met een Rely Jorritsmapriis bekroonde ‘Yn ’t foarbygean’.
De gedichten in Rauwe fisken op wynfear wolkens zijn verdeeld over vier hoofdstukken, die de titels ‘Winterskoft’, ‘Seeën bylâns’, ‘Fierder’ en ‘Skilderstikken’ hebben meegekregen. Zoals de hoofdstuktitels al doen vermoeden, hebben de gedichten thema’s als de wisseling van seizoenen in relatie tot het menselijk leven en thema’s als de zee en de kracht van de natuur. Ook het reizen, de afstand die gecreëerd wordt tussen mensen en het observeren van de eigen omgeving zijn belangrijke onderwerpen.
Opvallend is dat de Ierse dichter William B. Yeats (1865-1939) een belangrijke bron van inspiratie voor Oosting lijkt te zijn. Deze Nobelprijswinnaar voor de Literatuur werd bekend met zijn poëzie, toneelstukken en kort proza waarin Ierse mythologie en geschiedenis, maar ook het occultisme een belangrijke rol speelden. In Oostings gedicht ‘De winter komt’ wordt al een verwijzing gemaakt naar Drumcliff, het Ierse plaatsje waar Yeats begraven ligt. Enkele pagina’s verder in de bundel blijkt dat Oosting zelfs een bewerking van Yeats’ bekendste gedicht ‘The Lake Isle of Innisfree’ heeft gemaakt, nu getiteld ‘It eilân Skiermûntseach’.
In ‘It eilân Skiermûntseach’ heeft Oosting geprobeerd om zo veel mogelijk hetzelfde ritme en metrum aan te houden als in het origineel. Ook het rijmschema heeft hij intact gelaten. Ter illustratie volgen nu de eerste strofen van beide gedichten:
Ik sil oerein en gean no, en gean nei ’t Skiermûntseach
en in fjoertoer bouwe dêr, fan stiennen en fan stiel:
ljochtleanen sil ik lizze dêr, fûler as immen ea seach
en stean allinne yn dyn ljochtfjoer striel.
I will arise and go now, and go to Innisfree,
And a small cabin build there, of clay and wattles made;
Nine bean rows will I have there, a hive for the honey bee,
And live alone in the bee-loud glade.
Naar verluidt schreef de in Londen woonachtige Yeats ‘The Lake Isle of Innisfree’ in 1892 vanwege de heimwee naar zijn vaderland. Of Oosting ook heimwee had naar Skiermûntseach toen hij deze bewerking maakte, is niet bekend. Minder romantisch maar wel waarschijnlijker is het, dat hij voor dit eiland gekozen heeft vanwege de drielettergrepige naam. Voor een Friese bewerking waren in dat geval Skylge en Flylân bij voorbaat uitgesloten. Het volledige gedicht van W.B. Yeats is terug te vinden via de link onderaan dit artikel.
Skylge (Terschelling) vormt wel het decor in het gedicht ‘Edward Hopper op Skylge’, dat geplaatst is in het vierde hoofdstuk ‘Skilderstikken’. De eenzaamheid die spreekt uit de schilderijen van de Amerikaanse kunstschilder Hopper, heeft Oosting goed weten te benaderen. Het gaat namelijk niet om de zelfgekozen afzondering van een individu, maar om de opgelegde eenzaamheid van een individu binnen zijn eigen sociale groep. In een moderne samenleving staat men het immers nauwelijks toe om in de openbare ruimten contacten te leggen met onbekenden. Wanneer de ik-persoon in ‘Edward Hopper op Skylge’ op het dek van de veerboot staat naast een aantal ‘selsbeneamde’ mannen, ziet hij een droefkijkend persoon aan wal staan:
(…)
de harlekyn wiuwt
nei my
ropt
ik sis in selsbeneamde man
sjoch
en hy sjocht yndied
it eilân oer
dan nei my
en praat fierder
mei syn eigen manljuek goed
dan nim ik it ljocht
en de leechteallinne
De eenzaamheid van de ik-persoon wordt hier benadrukt door de indirecte afwijzing van de mede-passagier. Dit toont uiteraard sterke overeenkomsten met Hoppers bekendste schilderijen, waarin het werd geïllustreerd door de eenzaamheid van cafébezoekers, ondanks de aanwezigheid van anderen.
Rauwe fisken op wynfear wolkens bevat niet meer dan vijfentwintig gedichten. Met een kleine bundel als deze hoopt de lezer natuurlijk een schat van vijfentwintig juweeltjes in handen te hebben. Helaas heeft ook deze bundel, naast heel aardige gedichten als ‘Ira’ en ‘Pylger’, uiteraard zijn zwakke aspecten. Voor een wat actievere poëzielezer is Oostings bundel al gauw te kleurloos. Daarmee wordt niet gerefereerd aan een tekort aan kleurrijke beelden, want die zijn talrijk in het hoofdstuk ‘Skilderstikken’, maar daarmee wordt bedoeld dat de gedichten heel vlak en veilig zijn. Bijna nergens wordt de lezer door de thematiek, beeldspraak of taalgebruik het gedicht ingezogen om zich onder te dompelen in de wereld van de dichter.
De manier waarop de versregels afgebroken worden, krijgt in de loop van de bundel iets weg van een ‘maniertje’. Iets te vaak worden de eerste woorden van een (grammaticale) zin aan het einde van de vorige versregel gezet. Op die manier wordt de zin uit elkaar gehaald en wordt er extra nadruk gelegd op de eerste twee woorden van de zin en op het eerste deel van de zin aan het begin van de nieuwe versregel.
Een ander punt van kritiek is de veelvuldige toepassing van dubbele punten (:) en puntkomma’s (;) halverwege en aan het einde van versregels. Het lijkt bijna alsof de auteur leesaanwijzingen geeft om de nadruk op bepaalde zinsdelen te leggen. Of misschien wil hij enkel zijn gedachtegang verduidelijken? Een goed voorbeeld van beide kritiekpunten is de tweede strofe van ‘Genede’:
(…)
Hy stiet dêr, dreamt oer it fleis
syn lytse dreamen grut: in pestilinte stêd
mei dea op stille heapen; it folk
skrast fingers stikken, bloed
oan de muorren fan de âld basilyk. Gjin hope
foar harren dy’t stjerre: Marije
sjocht oer grize strjitten út.
(…)
Heel duidelijk is hier te zien hoe de zinnen uit elkaar getrokken worden om een deel, of meerdere delen, ervan te benadrukken (‘in pestilinte stêd / mei dea op stille heapen;’ en ‘it folk / skrast fingers stikken’). Het scheiden van deze zinnen gebeurt door de hierboven leestekens te gebruiken. In een enkele strofe, zoals in dit voorbeeld, is er natuurlijk niet zo veel aan de hand. Waar het om gaat is dat dit door de bundel heen vaker gebeurt, tot vervelens toe.
Op de achterkant van de uitvouwbare kaft wordt de dichtbundel als volgt aangeprezen: ‘Yn Rauwe fisken op wynfearwolkens binne wyn en wetter rûnom, sjocht de dichter oer de grinzen, giet er seeën bylâns, en fierder.’ En dat is precies wat de lezer krijgt. Niet minder, maar ook zeker niet veel meer. De dichter stipt her en der wat interessante thema’s aan, hij dicht over wind en water, maar nergens springt hij uit de band om het geheel spannender te maken.
Oostings poëzie kabbelt voort, maar er lijkt een onoverbrugbare afstandelijkheid tussen het gedicht en de lezer gecreëerd te zijn. De poëzie heeft wel alles in zich om te kunnen boeien, maar er slaat nog geen vonkje over naar de lezer. De bundel heeft echter nog genoeg te bieden om in ieder geval de nieuwsgierigheid naar een volgende uitgave van Oosting aan te wakkeren.
Simon Oosting, Rauwe fisken op wynfear wolkens
Ljouwert/ Utert: Uitgeverij Bornmeer, 2007.
Prijs: € 15,-
De tekst van W.B. Yeats’ gedicht ‘The Lake Isle of Innisfree’ is hier te vinden. Daar vind je tevens een bijzondere geluidsopname van de BBC uit 1935, waarop Yeats zelf zijn gedicht voordraagt. De real-player die je nodig hebt om het te beluisteren, kun je er makkelijk gratis downloaden.