Inge Heslinga

Analyses van een kleine wereld

logo.ensafh
Over Bang voor de bal van Tsead Bruinja

“Bij het gedicht ‘na zijn dancing days was er de vrouw met de spons’ is het handig om te weten dat een klophengst een hengst is die met gebruik van twee mokers is gecastreerd”. Deze zin komt uit de aantekeningen die achterin de nieuwe bundel van Tsead Bruinja zijn opgenomen. Deze uitleg is typerend voor de dichter die zijn eigen wereld op poëticale wijze probeert in kaart te brengen en die toegankelijk wil maken voor zijn lezers. Geen moeilijke woorden, eenvoudige zinnen en een alledaagse thematiek. Maar wel met een flinke saus van wereldleed, verbazing, tederheid en een vleugje muziek.
 

Na vier Friestalige en twee Nederlandstalige dichtbundels verscheen van Tsead Bruinja (1974) begin dit jaar weer een Nederlandstalige bundel, getiteld Bang voor de bal. Met deze nieuwe publicatie wilde Bruinja naar eigen zeggen toegankelijker en anekdotischer schrijven en daar lijkt hij redelijk in geslaagd te zijn. In de vierenveertig gedichten, verdeeld over zes hoofdstukken, stipt de dichter thema’s aan die afkomstig zijn uit de huiselijke en relationele sfeer, maar tevens komen thema’s aan bod als oorlog en onverdraagzaamheid. Met een wat kinderlijke blik aanschouwt en analyseert de dichter de veranderende wereld om hem heen en weet dat op een zo nu en dan zwaar poëtische toon te verwoorden.

Een belangrijke inspiratiebron voor Bruinja is muziek, en dan met name de rockmuziek van grootheden uit de jaren zeventig en tachtig. Vijf van de zes hoofdstukken worden ingeleid door citaten uit nummers van Marillion, Roger Waters (de man achter Pink Floyd) en de Dire Straits. Het motto van de bundel past precies in dit rijtje en is afkomstig uit het nummer ‘Games without frontiers’ van Peter Gabriel. Een goede en veilige keus, de titel van dit klassieke nummer roept natuurlijk gelijk associaties op met de titel van de dichtbundel. Het bang zijn voor de bal benadrukt de angst die iemand kan hebben voor een ongevaarlijk voorwerp als de bal, wetende dat die bal in verkeerde handen toch voor een pijnlijke confrontatie kan zorgen. Zoiets als bang zijn voor de wereld en bang zijn voor een wereldijke macht in verkeerde handen, inderdaad.

Het gedicht ‘bang voor de bal door het winkelraam’ is het meest opvallende gedicht in de bundel. De tekst van het gedicht is namelijk in zes stukken verdeeld en geplaatst in wat nog het best te omschrijven is als een tabel. Het blijkt de kale omtrek van het winkelraam in de titel te zijn. Een leesaanwijzing ontbreekt, waardoor het gedicht op vele manieren gelezen kan worden. Oorspronkelijk stond dit gedicht op het winkelraam van een galerie in Middelburg, waar de leesvolgorde dus bepaald werd door voorbijgangers die de galerie links of rechts passeerden..
 

Opbouw
Evenals in zijn vorige bundels schrijft Bruinja ook in Bang voor de bal sterk enjamberende gedichten. Met name in het hoofdstuk ‘vader storen’ wordt deze stijlfiguur veel gehanteerd. Zo komt men in het gedicht ‘pelikanenbek’ strofes tegen als “kromme schuit / waarin visjes / spartelen” en “terwijl wij kinderen / door de botten // van een maquette / rennen”. Zeker bij dit laatstgenoemde voorbeeld kan men zich afvragen waarom de dichter heeft gekozen om op deze wijze de versregels af te breken en vooral waarom hij er twee strofes van gemaakt heeft door er een witregel tussen te voegen. Omdat de twee strofes niet los van elkaar lijken te kunnen functioneren, ontstaat de indruk dat dit stijlfiguur toegepast is om het allemaal nóg iets poëtischer te laten lijken en schaadt de overdaad uiteindelijk het gedicht.

Een groot deel van Bruinja’s gedichten is opgebouwd uit strofes van twee versregels. Deze distichons worden in de nieuwe bundel vaak afgewisseld met zowel drieregelige strofes als enkele versregels. Die losse versregels kunnen bij Bruinja bestaan uit een volledige zin (“een echte drinker spoelt zijn flesjes niet om”), een kleine woordgroep (“ja joh”) of een enkel woord (“inkoppertje”). Opvallend zijn daarom het handjevol gedichten waarin Bruinja een stukje proza, zowel ongebonden als poëtisch, als een strofe onderdeel van het geheel laat uitmaken. Dit doet hij bijvoorbeeld in de gedichten in ‘jurk/ waarom wil ik met je praten?’ en in ‘zegt ze’. Deze twee gedichten zijn de enige gedichten in de bundel waarin heel summier interpunctie wordt gebruikt. Hieronder volgt een voorbeeld uit ‘zegt ze’, en let daarbij ook op de aardige vergelijking tussen een weiland en een rentmeester:

(…)

stuit

ze trekt een cirkel in het zand

het weiland in september ligt er weelderig bij als een rentmeester die in de bloei van zijn leven het werk neer kan leggen. hoge inzet. oud geld. een man die desondanks niet plaats wil maken, die het werken is gaan zien als spelen. hij neemt de zeis om het laatste gras neer te bedden en op te voeren

hoe kan hier een slotakkoord zijn aanvang vinden
hoe kan hiervoor een instrument uit ons

die bestookt door dromen die we als cruciale bondgenoten zien
een schuur invluchten bij de minste regen

(…)

Twee andere gedichten die de aandacht trekken waar het gaat om vermenging van proza en poëzie, zijn het openingsgedicht ‘koppelbaas’ en het prozagedicht ‘schuim’. In ‘koppelbaas’ wordt door het taalgebruik en de lange zinnen de schijn gewekt dat de twee strofes van het gedicht bestaan uit twee stukken versregelloze tekst, oftewel proza. Die schijn bedriegt in dit geval. Door de bladspiegel kan niet met zekerheid beweerd worden dat álle versregels los van elkaar staan, maar toch zijn er op basis van die bladspiegel en de uitlijning van de tekst wel enkele losse versregels binnen de strofes aan te wijzen.

‘Schuim’ is een klein prozagedicht over twee geliefden in de badkamer van een hotelkamer, dat verwoord wordt in wat één enkele zin van zo’n honderdvijftig woorden lijkt te zijn: “(…) ik kom erbij ik kom eraan nog even en ik heb een baard een hoed en een snor van schuim het water stijgt de bergen storten langzaam in als ik uitstap (…)”. Interpunctie zou dit gedicht zeker leesbaarder hebben gemaakt, maar door de afwezigheid daarvan is men verplicht om het gedicht in een ruk uit te lezen, wat het verliefde, speelse en onbezorgde gevoel, dat spreekt uit de vrolijke thematiek van het gedicht, juist versterkt.
 

Kleine wereld
De lezer die in poëzie op zoek is naar vernieuwing in taal of vorm, is bij Bruinja niet aan het juiste adres. Deze Amsterdammer van Friese origine schijft heel degelijke gedichten, maar bijna nergens wordt het echt spannend. Op sommige momenten beginnen de poëtische beschouwingen van Bruinja’s wereld, die vooral lijkt te bestaan uit zijn vrouw, boeken en televisie en die daardoor niet zo groot is, te vervelen. Bruinja lijkt door zijn wat afstandelijke analyse van wereldse gebeurtenissen zo nu en dan ver verwijderd van diezelfde wereld. Het voelt zich verheven, maar heeft niet in de gaten dat hij door die verhevenheid minder grip heeft op zijn wereld. De gedichten van Bruinja zijn zeker niet slecht, eerder wat eentonig. Uiteraard is er ook een aantal gedichten in de bundel opgenomen die zeker het lezen en herlezen waard zijn, zoals ‘graat’, ‘bang voor de dood’ en het al eerder genoemde ‘schuim’.

Leuke vondsten als “hun leven is een koelkast / waaruit je na een nacht zwaar drinken / een goed belegde boterham / vandaan tovert” in ‘specialist op het gebied van kozijnen’ en “mijn huisgenoot is de man die adhd uitvond / een jonge en onervaren burgemeester / van zijn eigen bloedbaan” in ‘burgemeester’ fleuren de zwaar poëtische toon van de wereldbeschouwingen een beetje op, evenals het luchtige gedicht ‘cor’:

(…)
cor heeft een gat in zijn broekzak waar de hand van zijn vriendin doorheen past
hij heeft vijf schipperstruien vijf spijkerbroeken en een paar kisten

terwijl hij met zijn harige armen
de stinkende bloemkool uit de koeling haalt
en ik de lege flessen inneem
vertelt hij over zijn vriendin
(…)

Een aardige anekdote is dat Bruinja in december van 2004 al eens de zogenaamde Gouden Lykdoarn voor het grootste cliché in een gedicht in ontvangst mocht nemen. Toen won hij die ‘prestigieuze’ prijs, die in het leven was geroepen door Doar.nl, met de zin ‘soest sizze kinne / dat er yn syn muzyk wennet’. Als die prijs ooit nog weer eens uitgereikt wordt, dan maakt hij met een fragment uit zijn gedicht ‘Herhaald verzoek’ weer een goede kans: “en er zijn cafés er zijn boeken / die ik open kan doen // er zijn tafels / waar mensen aan zitten”. Het gedicht ‘In de duinen’, waarin de ik-persoon “verzand[t] in een grap” gooit daarbij ook hoge ogen.
 

Mp3’s
Een belangrijk aspect van poëzie is, volgens Bruinja, dat een gedicht goed klinkt. De melodie en het ritme moeten er voor zorgen dat een gedicht goed loopt en dus ook goed in elkaar zit. Wie wil controleren of de gedichten uit Bang voor de bal ook goed klinken, kan naar de website van Bruinja surfen. Daar kan men van alle gedichten een audiofile beluisteren, die Bruinja zelf op een bezwerende toon heeft ingesproken. Ook kan men daar twee mp3’s terugvinden van voordrachten, met de muzikale begeleiding van Jaap van Keulen.

Tsead Bruinja, Bang voor de bal
Amsterdam; Uitgeverij Cossee, 2007.
Prijs: € 16,90

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *